Wolluis biologisch bestrijden in de sierteelt: bestrijders en monitoring
Stel bij wolluis eerst vast om welke soort het gaat en noteer welke planten zijn aangetast. Wolluizen, dopluizen en schildluizen behoren tot verschillende families. Vrouwelijke wolluizen zijn bedekt met wasdraden; dop- en schildluizen hebben een harde bedekking. Sluipwespen, gaasvliegen en roofkevers worden ingezet tegen wolluis en verwante plagen. Een voorbeeld van een natuurlijke vijand van wolluis is de sluipwesp Anagyrus vladimiri. Anagyrus vladimiri in Citripar bestrijdt citruswolluis, Planococcus citri, en ficuswolluis, Planococcus ficus.
De sluipwesp parasiteert latere larvenstadia en vrouwelijke volwassen wolluizen. Citripar moet worden gecombineerd met Cryptobug of Cryptobug-L voor een effectieve bestrijding van wolluis. Bij Anagyrus ontwikkelen de poppen zich in de gemummificeerde huid van de gastheer. Dat ziet eruit als een gezwollen wolluislarve. Nadat een sluipwesp is uitgekomen, kan de lege mummie een onregelmatig gat aan de achterkant hebben.
De Citripar-koker hangt dicht bij de wolluiskolonie, buiten direct zonlicht. Bij Citripar hoort adequate mierenbestrijding: controleer dus ook op mieren. Bestrijdingsmiddelen kunnen directe en indirecte effecten hebben op biologische oplossingen; controleer de neveneffecten van andere middelen op de sluipwespen. Bij wol- en dopluizen is vooral de productie van honingdauw, waarop schimmels groeien, een groot economisch probleem. Ze behoren tot Coccoidea binnen de orde Hemiptera: wolluizen tot Pseudococcidae, dopluizen tot Coccidae en schildluizen tot Diaspididae.
Schildluizen biologisch bestrijden: schildluis en dopluis onderscheiden
Dopluizen (Coccidae) en schildluizen (Diaspididae) zijn verschillende families. Dopluizen scheiden honingdauw af, waarop zwarte roetdauwschimmels groeien; schildluizen produceren geen honingdauw. Schildluizen zitten als schildachtige bobbeltjes op stengels en bladonderkanten; die bobbeltjes zijn de buitenste bedekking van de insecten. Controleer of er levende insecten onder zitten. Witte wasachtige eimassa's kunnen op wolluis of bloedluis lijken. Bepaalde lieveheersbeestjes en sluipwespen eten of parasiteren schildluizen.
Gezonde, goed verzorgde planten kunnen lichte populaties verdragen. Volwassen schildluizen en eimassa's kunnen worden verwijderd wanneer ze zichtbaar zijn; bij grote populaties verlaagt dat het aantal niet altijd.
Roetdauw biologisch bestrijden: pak de honingdauwbron aan
De donkere schimmelaanslag groeit meestal op suikerhoudende uitscheiding van zuigende insecten. De schimmels tasten de plant niet rechtstreeks aan. Zoek daarom eerst welk insect de honingdauw produceert en verwijder daarna zo nodig de aanslag. Kijk naar bladluizen, witte vlieg, dopluizen of andere veroorzakers, naast de zichtbare aanslag. Roetdauw vormt donkerbruine tot zwarte schimmelgroei aan het oppervlak, vooral boven op bladeren. De bedekking kan poederig zijn of een dikkere laag vormen die bij droogte scheurt of loslaat.
Soms kan de aanslag worden afgewassen en blijft daaronder gezond ogend blad zichtbaar. Honingdauw kan vanaf de plek waar insecten voeden naar bladeren, takken en vruchten eronder druppelen. Honingdauwproducerende insecten kunnen ook op planten zitten die boven de aangetaste plant hangen; controleer ook die planten. Bladluizen, dopluizen, wolluizen en witte vliegen produceren honingdauw. Afnemen of afsponzen met water is soms genoeg om de aanslag te verwijderen. Sterke zeep of reinigingsmiddelen in het water kunnen het blad beschadigen.
Zware aanslag kan bovendien blijven zitten nadat de honingdauwproducerende insecten verdwenen zijn. Bij beperkte luchtcirculatie en hoge luchtvochtigheid groeit meer schimmel. Soms groeien de schimmels op suikerhoudende uitscheiding van de plant zelf. Tot roetdauw behoren verschillende schimmels, waaronder Cladosporium en Alternaria.
De zwarte bedekking bestaat uit donkergekleurde schimmeldraden, het mycelium. Andere veelvoorkomende geslachten zijn Capnodium, Fumago en Scorias. Welke schimmels aanwezig zijn, hangt onder meer samen met het milieu, de plant en de honingdauwproducerende insecten. De honingdauwproducerende insecten nemen veel vloeistof op, benutten de nodige voedingsstoffen en scheiden een deel weer uit. Zowel jonge als volwassen stadia kunnen honingdauw produceren.
Mieren eten honingdauw en beschermen de producerende insecten tegen predatoren en parasitoïden. Roetdauw dringt niet rechtstreeks in de plant, maar een zware bedekking kan licht tegenhouden en zo de fotosynthese en groeikracht verminderen. Sterk bedekt blad kan vroegtijdig verouderen en afsterven. Lauwwarm water kan de reiniging vergemakkelijken.
Beukenbladluis biologisch bestrijden
In het late voorjaar verschijnen witte pluisvlekken aan de onderkant van beukenbladeren. Daar zitten lichtgele luizen onder witte wasdraden. Bestrijding is bij beuken en beukenhagen gewoonlijk niet nodig. De luizen zuigen aan het blad en aan jonge stengels. Hun honingdauw bedekt de bovenkant van het blad en maakt het kleverig; daarop kan zwarte roetdauwschimmel groeien.
Sterk aangetaste bladeren kunnen vervormen. Lieveheersbeestjes, loopkevers, zweefvliegen, sluipwespen en oorwormen zijn natuurlijke vijanden van bladluizen. In het voorjaar kunnen luizen zich opbouwen voordat genoeg natuurlijke vijanden actief zijn. Beukenbladluis overwintert als eitjes bij knoppen en in schorsspleten.
Houd uw spuitregistratie op één plek bij. Gratis beginnen.
In het midden van de zomer ontstaan gevleugelde vormen die nieuwe waardplanten zoeken. Ze kunnen op witte vlieg of wollige bladluis lijken, maar geen van beide komt op beuk voor. Bepaal daarom bij een gevleugeld wit insect op beuk altijd de soort. Lieveheersbeestjeslarven zijn langwerpig, vaak grijszwart met oranje, rode of witte tekening. Zweefvlieglarven zijn pootloze, relatief brede maden. Gaasvlieglarven grijpen kleine insecten met gebogen kaken. Geparasiteerde luizen worden opgeblazen, witbruine bladluismummies.
Beukenbladluis, Phyllaphis fagi, leeft uitsluitend op beuk, Fagus sylvatica. Grote populaties zijn doorgaans tijdelijk.
In het voorjaar komen de eieren uit, enkele weken nadat nieuw blad is verschenen. De meeste voorjaars- en zomervormen hebben geen vleugels en brengen levende jongen voort. De eitjes worden in de herfst rond knoppen en in schorsspleten afgezet. Stem de zoekplaats af op het seizoen: winterknoppen, uitgelopen blad of zomerse kolonies.
Cicaden biologisch bestrijden: kasbladcicade herkennen en natuurlijke vijanden
Bij de kasbladcicade veroorzaken volwassen dieren en nimfen lichte vlekken op het blad. Zij zitten vooral aan de onderzijde. Aan de bovenzijde van bladeren ontstaan grove, lichte vlekjes. Die kunnen samenvloeien tot een bleek bladbeeld dat aan een mineralentekort doet denken. De volwassen kasbladcicade is bleekgeel met grijze tekening. Het lichaam is breed aan de kopzijde en loopt naar achteren toe smaller uit. Bij verstoring springen volwassen dieren van het blad en vliegen ze een korte afstand.
De ongevleugelde nimfen zijn roomwit en minder actief. Aan de bladonderzijde kunnen witte vervellingshuidjes achterblijven. Vergelijkbare schade op salie, rozemarijn en andere kruiden hoort vaak bij salie- of Ligurische bladcicaden. Cicaden beïnvloeden groei en groeikracht vaak niet en kunnen dan worden getolereerd. Vogels, lieveheersbeestjes, wespen en loopkevers zijn natuurlijke vijanden. Op binnenplanten kan de levenscyclus het hele jaar doorgaan.
Eitjes worden in bladnerven gelegd en daaruit komen ongevleugelde nimfen. Bladluizen laten hun vervellingshuidjes gewoonlijk bovenop het blad achter, cicaden aan de onderzijde. Houd bij de keuze van een middel rekening met het gebruik van de plant: consumptie als potkruid of verkoop als sierplant. Controleer de toegelaten toepassing voor het betrokken kruidengewas.
Beoordeel het resultaat aan levende insecten en nieuwe schade: beschadigde bladeren blijven verkleurd. De levenscyclus van kascicade duurt midden in de zomer ongeveer zes weken, tegenover meerdere maanden in de winter. Nimfen vervellen vijfmaal voordat zij volwassen worden.
Galmijt herkennen vóór u biologisch gaat bestrijden
De meeste galmijten vragen geen bestrijding. Galmijten vormen een grote groep kleine mijten; veel soorten zijn aan één plantensoort of nauw verwante planten gebonden. Galmijten zijn langgerekt en meestal alleen met een microscoop goed zichtbaar. Ze hebben twee paar poten, terwijl andere mijten gewoonlijk vier paar hebben. De opvallende plantreactie helpt vaak bij de herkenning. Herkenningskenmerken zijn extra beharing, verdikte bladranden, vergrote knoppen, achterblijvende scheuten, heksenbezems, blaren en harde bladverhevenheden.
Andere organismen, waaronder insecten, schimmels en bacteriën, kunnen eveneens galvorming veroorzaken. Appelviltmijt veroorzaakt romig witte of roodpaarse haarplekken aan de bladonderzijde. Druivenbladgalmijt veroorzaakt dichte lichte of roze haren onder het blad en opbolling aan de bovenzijde. Zwartebessenknopmijt veroorzaakt abnormaal opgezwollen, ronde knoppen. Bij beuk kan een soort een strak opgerolde bladrand veroorzaken. Andere beukengalmijten geven vilt langs nerven of aan de onderzijde. Frambozenblad- en knopmijt veroorzaakt lichtgele vlekken op het bovenblad.
Frambozenblad- en knopmijt, fuchsiagalmijt en zwartebessenknopmijt kunnen de groeikracht wel beïnvloeden. Veel soorten overwinteren als niet-voedende vrouwtjes op de waardplant, in schorsspleten of onder knopschubben. In het voorjaar begint met de groei van de waardplant opnieuw voeding en eileg. Perenbladgalmijt veroorzaakt blaarachtige verkleuringen die later donker worden. Pruimenbladgalmijt veroorzaakt zwellingen aan bladranden en nerven en bij zware aantasting soms vruchtmisvorming. Bij walnoot gaat het om opbolling van het blad met lichte viltgroei aan de onderzijde.
Bij het zuigen scheiden galmijten stoffen af die gewone cellen omvormen tot delingsweefsel. Uit dat weefsel groeit vervolgens de afwijkende structuur.
De mijten voeden zich aan cellen langs de binnenkant, die voedzamer zijn dan onaangetast weefsel. Volgroeide galmijten blijven meestal kleiner dan 0,2 millimeter. Uit hun eitjes verschijnen kleine dieren die op de volwassen mijt lijken; vóór het volwassen stadium volgen twee nimfenstadia. Er zijn twee of drie zomergeneraties. Overwinterende vrouwtjes leggen pas het volgende jaar eitjes.
Bij es kunnen aangetaste bloemen houtige, knotsvormige structuren vormen die na de bladval blijven zitten. Hazelaar krijgt ronde vergrote knoppen die niet uitlopen. Die zijn zelden talrijk genoeg om groei of vruchtzetting te beïnvloeden. Bij taxus kunnen gesloten ronde knoppen samengaan met vervormde, abnormaal lange scheuten. Bij linde ontstaan spitse, geelachtige of rode buisjes op de bladtopzijde. Bij steeneik ontstaan roestbruine haarplekken onder het blad. Iep kan kleine harde, witgroene verhevenheden aan de bovenkant krijgen.
Esdoorn kan bolvormige, gerimpelde gallen dragen die aanvankelijk glanzend geelgroen of rood zijn en later donkerrood tot zwart worden. Brem krijgt eerst zachte witgroene knopgallen die in de zomer grijsbruin en houtig worden.
Volgende stap
Bekijk voor de keuze en toestemming van levende bestrijders de uitleg over biologische bestrijding.