Aspergekever biologisch bestrijden: eerst kever, eieren en larven herkennen

De blauwe aspergekever, Crioceris asparagi, eet als kever en als larve aan de plant. De volwassen kever heeft een glanzend blauwe kop, zwarte antennen en een rood borststuk. De dekschilden dragen opvallende rijen witte of gele vlekken. De larve is donkergrijs tot witachtig, met een kleine zwarte kop en drie paar dikke, lichtbruine poten. De eitjes zijn ovaal en zwart tot groenachtig bruin. Ze staan los of in rijen van drie tot tien, loodrecht op takken en bladeren.

Tijdens het eten scheiden de larven zwartachtige, vloeibare uitwerpselen af, waardoor de plant vervuild kan raken. Een volgroeide larve laat zich op de grond vallen om te verpoppen. Na het ei volgen vier larvenstadia, de pop en de volwassen kever. De kever overwintert en begint in het voorjaar een nieuwe cyclus.

Bekijk kevers, eitjes en larven afzonderlijk. Controleer in een oogstpartij de scheuten op eitjes en kijk in een uitgegroeid gewas naar het resterende blad, de larvenvraat en de vervuiling. Eitjes op de opkomende scheuten verlagen de kwaliteit van de oogst. Zware aantasting kan het loof kaal maken en de opbrengst van het volgende jaar verlagen. Spinnen en gaasvlieglarven eten aspergekevers.

Bestrijding bestaat vooral uit insecticidespuiten tegen volwassen kevers bij opkomende scheuten, zodat ze minder eitjes leggen. Spaar aanwezige spinnen en gaasvlieglarven. Gebruik geen middelen die natuurlijke vijanden en bijen schaden wanneer die talrijk in het gewas zijn. Eitjes op stengels en poppen in bodem of strooisel zijn slecht te raken met insecticiden.

Plant nieuwe asperges ver weg van bestaande teelt. Hoe ver de kever vliegt, is niet bekend.

Aspergevlieg biologisch bestrijden in de aspergeteelt

De vlieg legt eitjes in de scheut en de larven maken gangen tot aan de wortelhals. Aangetaste scheuten blijven achter of sterven voortijdig af. Bij de aspergekever eten kevers en larven juist aan het blad.

Zwarte dwarsbanden op de vleugels onderscheiden de aspergevlieg van andere groentevliegen. Vooral jonge aanplant, sterk verkort geoogste percelen en groene asperges onder minitunnels zijn kwetsbaar, omdat daar scheuten doorgroeien tijdens de vlucht van de vlieg. De gangen zijn een ingang voor secundaire schimmelziekten, waaronder fusariosen.

Fotografeer een gevonden vlieg en bekijk een vastgeplakte vlieg met vergroting. Tel op de val alleen vliegen met de kenmerkende vleugeltekening. Volg de vlucht met staaflijmvallen. Plaats drie tot vijf vallen per perceel, minstens vijftien meter uit elkaar en bij voorkeur minimaal tien meter van de perceelsrand. Controleer ze tweemaal per week. Reinig sterk vervuilde vallen en belijm ze opnieuw, of vervang ze. De schadedrempel ligt bij 5 vliegen per val per telmoment.

Gebruik in kleine aanplant van groene asperges tijdens de oogst vangscheuten. Laat daarvoor afzonderlijke scheuten staan, ongeveer een meter uit elkaar, waarop de vlieg eieren kan leggen. Verwijder en vernietig ze wekelijks en laat daarna nieuwe scheuten staan. Verder is er in groene asperges tijdens de oogst geen bestrijding mogelijk.

Leafwrit

Houd uw spuitregistratie op één plek bij. Gratis beginnen.

Leliehaantje biologisch bestrijden in de lelieteelt

Het leliehaantje heet Lilioceris lilii. Volwassen dieren hebben rode dekschilden en een rood borststuk, met zwarte kop en poten. De larven zitten vaak verborgen onder natte, zwarte uitwerpselen. Rode kevers zoals Pyrochroa en Rhagonycha fulva lijken erop, maar veroorzaken geen lelieschade. Het leliehaantje tast lelies (Lilium), reuzenlelies (Cardiocrinum) en kievitsbloemen (Fritillaria) aan. Daglelies, Canna en Calla blijven ongemoeid. Controleer bij planten met een lelieachtige handelsnaam ook de botanische plantnaam.

Jonge larven vreten de onderzijde van bladeren weg, waardoor witte of bruine uitgedroogde plekken ontstaan. Oudere larven eten hele bladeren en tasten ook bloemen, stengels en zaaddozen aan. Volwassen kevers maken afgeronde gaten in het blad. Lelies bloeien ondanks bladvraat vaak nog, maar zware ontbladering vroeg in de zomer kan kleinere bollen geven die het volgende jaar mogelijk niet bloeien.

De kevers overwinteren als volwassen dier in bodem, strooisel en andere beschutte plekken, ook buiten de directe omgeving van de waardplant. Ze kunnen vliegen en zoeken in het voorjaar nieuwe lelies op. Bodembehandeling onder lelies tegen overwinterende kevers heeft daarom geen voordeel.

De eitjes zijn roodachtig en langwerpig. Ze liggen in groepjes aan de bladonderzijde, in een rij ongeveer parallel aan een bladnerf. Draai het blad daarom voorzichtig om en kijk langs de nerven. De larven hebben onder de uitwerpselen een zacht, dik, oranje tot geelachtig lichaam met een zwarte kop. Ze doorlopen vier stadia, te onderscheiden aan het kopkapsel, en gaan als volgroeide larf de grond in om te verpoppen. De pop is feloranje en ligt in een witte cocon met zwarte vlekken. Er is één generatie per jaar.

Verwijder kevers, eieren en larven met de hand en herhaal dat gedurende het groeiseizoen. Houd een bak met zeepsop onder de plant: bij verstoring laten volwassen kevers zich vallen en belanden ze ondersteboven op de grond, waar hun donkere buikzijde ze moeilijk zichtbaar maakt. Na handmatig verzamelen kunnen nieuwe kevers invliegen, omdat ze lelies vinden via vluchtige stoffen van het blad.

De nieuwe volwassen kevers verschijnen vanaf de zomer. Ze vreten verder, maar leggen pas het volgende jaar eitjes. Aggregatieferomonen trekken soortgenoten aan.

Vogels, kikkers, wespen en loopkevers eten larven en soms volwassen kevers. Drie Europese sluipwespen parasiteren leliehaantjeslarven: Tetrastichus setifer, Lemophagus errabundus en Diaparsis jucunda. Tetrastichus ontwikkelt zich groepsgewijs in de larve, Lemophagus en Diaparsis solitair. Tetrastichus setifer overwintert als volgroeide larve in gastheercocons in de bodem, Lemophagus errabundus als pas vervelde volwassen wesp. Diaparsis jucunda parasiteert alle larvenstadia. De uitwerpselenlaag rond de larven kan predatoren afweren, maar sommige parasitoïden gebruiken die laag juist om hun gastheer te vinden.

Incidentele vraat komt voor op lelietje-van-dalen, salomonszegel, bitterzoet, aardappel, stokroos en Hosta. Voortplanting op die planten is niet vastgesteld.

Minder gevoelige lelies kiezen

Leliesoorten verschillen in gevoeligheid. Aziatische hybriden zijn vaak gevoeliger dan bepaalde oosterse hybriden. Lilium henryi ‘Madame Butterfly’, Lilium speciosum ‘Uchida’ en Lilium ‘Black Beauty’ bieden enige weerstand. Vervang lelies bij een aanhoudende zware aantasting door planten die het leliehaantje niet aantast.

Volgende stap

Controleer vóór de inzet van natuurlijke vijanden de uitleg over biologische bestrijders en toestemming.