Vegaplan: zelfcontrole en traceerbaarheid

De interne zelfcontrole is de controle die de landbouwer zelf uitvoert van de voorschriften van de Vegaplan Standaard voor de Primaire Plantaardige Productie, ter voorbereiding van de audit voor certificatie. Voer die zelfcontrole dus uit vóór de certificatieaudit.

Open de Vegaplan Standaard PPP, versie 5.1 van 17 maart 2025.

Bewaar in dossier IN de gegevens over plantaardig uitgangsmateriaal, gewasbeschermingsmiddelen, biociden en bemestingsproducten. Neem in dossier OUT plantaardig vermeerderingsmateriaal en plantaardige producten op.

Vermeld de aard en identificatie van het product, de hoeveelheid en de ontvangst- of leveringsdatum. Identificeer ook de leverende of afnemende vestigingseenheid. Gebruik de plaats van herkomst of bestemming, niet het administratieve adres.

Je hoeft voor deze gegevens geen nieuw register te maken. Ze kunnen al op facturen, etiketten, plantenpaspoorten, certificaten, leveringsbonnen of weegbonnen staan.

Wat op de teeltfiche staat

Een teeltfiche is verplicht voor aardappelen, groenten, fruit en hop. Voor suikerbieten, granen, olie- en eiwithoudende gewassen en cichorei is ze aanbevolen. De voorbeeldfiche heeft onderdelen voor zaaien of planten, bemesting, toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, irrigatie en oogst. De fiche volgt het model van de afnemer, een eigen model of het voorgestelde voorbeeld. Grijs gemarkeerde velden zijn in het voorbeeld verplicht.

Begin met de teelt, naam van de landbouwer en een verwijzing naar de identificatie van de producent. Vul bij productielocatie de naam, oppervlakte en referentie in. Het partijnummer hoort erbij wanneer het perceel meerdere plantenpartijen omvat. Identificeer op de fiche het perceel of de serre waar de partij wordt geteeld.

De perceelsreferentie uit de verzamelaanvraag bestaat uit campagnejaar en perceelnummer.

Vul bij “Controle fysische contaminatie productielocatie” de datum en bevindingen in. Onder “Voorvrucht” is er ruimte voor eerdere jaren en een referentie.

Vul bij zaaien of planten datum, variëteit of ras, lotnummer en dossier IN in. Noteer ook hoevezaad of hoevepootgoed en uitvoerder of loonwerk. Vermeld voor hardfruit onderstam, entmateriaal en moedermateriaal met een dossierverwijzing.

Noteer bij bemesting datum, meststof met verwijzing naar dossier IN, dosis per hectare en uitvoerder of loonwerker. Vermeld bij gewasbescherming datum, productnaam, dosis, behandelde oppervlakte en uitvoerder. Voeg de waarnemingen achter de bestrijding en de efficiëntie toe. Noteer behandeling van zaaizaad, plant- of pootgoed alleen als je die zelf uitvoert.

Geef in het irrigatieonderdeel aan of je hebt geïrrigeerd en vul een referentie in. Vermeld ook de datum van de laatste irrigatie voor de oogst en de herkomst van het water. De keuzemogelijkheden omvatten grondwater, hemelwater, leidingwater, oppervlaktewater, proceswater en een andere bron.

Vermeld bij oogst de oogstdatum of oogstperiode en de uitvoerder of loonwerker. Verwijs naar de loonwerkfactuur en voeg waar toepasselijk monstername en analyseresultaten toe.

Vul voor opslag en bewerking de teeltreferentie, datum en hoeveelheid IN, datum en hoeveelheid UIT en bestemming in.

Percelen, opslagruimten en waterinstallaties identificeren

Op het bedrijf is een plan aanwezig met de locaties waarop gewassen geteeld worden. In Vlaanderen kan hiervoor de Eenmalige PerceelsRegistratie dienen, of een eigen plan waarbij elk perceel genummerd wordt of een naam krijgt. Plaatsen waar plantaardige producten tijdens opslag behandeld worden, zijn geïdentificeerd, bijvoorbeeld via een bedrijfssituatieschets. Meerdere partijen op een perceel of in een kas worden door een partijnummer onderscheiden.

Distributiesystemen en opslagplaatsen van het water voor activiteiten vóór of na de oogst zijn geïdentificeerd en gelokaliseerd. Voor waterbronnen volstaat, indien vereist, een identificatie aan de hand van de risicobeoordeling in bijlage 3.

Behandeld zaaizaad en plantenpaspoort

Het zaadetiket bevat informatie over de behandeling; het plantenpaspoort dient de fytosanitaire traceerbaarheid. De Belgische regels staan in de officiële uitleg over behandelde zaaizaden en, voor de paspoortplicht, in de nationale plantenwetgeving.

Behandel zaaizaden in België alleen met een middel dat daarvoor in België is toegelaten. Voor invoer en uitzaaien moet het behandelingsmiddel bij de behandeling in minstens één lidstaat toegelaten zijn. Daarbij gelden uitzonderingen voor Europese stofvoorwaarden en zaaizaad behandeld onder een noodtoelating.

Voor zaaizaad behandeld onder een noodtoelating is een Belgische noodtoelating voor het uitzaaien op Belgisch grondgebied nodig.

De begeleidende etiketten van behandelde zaaizaden vermelden de handelsbenaming van het gewasbeschermingsmiddel, de werkzame stof, waarschuwingszinnen en eventuele risicobeperkende maatregelen. Controleer die gegevens op het etiket van je zaadpartij.

Leafwrit

Houd uw spuitregistratie op één plek bij. Gratis beginnen.

Alleen het uitzaaien van behandeld zaaizaad vereist geen fytolicentie. Voor het behandelen van zaaizaden met professionele middelen is wel een geschikte fytolicentie nodig.

Bijlage XIII van Uitvoeringsverordening 2019/2072 legt vast welke planten, plantaardige producten en andere materialen een plantenpaspoort nodig hebben. Daarop staan onder meer alle voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden. Zoek voor zaad dus de concrete lijst op en behandel niet elke behandelde zaadpartij automatisch als paspoortplichtig.

Voor rechtstreekse levering aan niet-professionele eindgebruikers gelden uitzonderingen op de paspoortplicht. Die gelden niet bij internethandel.

Plantenpaspoorten worden uitsluitend afgegeven door een nationale plantenbeschermingsorganisatie of door geregistreerde en erkende bedrijven. In België dienen bedrijven voor de erkenning een aanvraag in bij hun Lokale Controle-eenheid (LCE) van het FAVV; tijdens een controle ter plaatse wordt nagegaan of systemen of procedures de traceerbaarheid garanderen en of de fytosanitaire vereisten worden nageleefd. Welke overheid bevoegd is, hangt af van de eisen en het teeltmateriaal: zie de Belgische bevoegdheidsverdeling. Erkende operatoren geven in het kader van hun erkenning jaarlijks de families, geslachten of soorten op waarop hun werkzaamheden betrekking hebben; veel van hen doen dat via de verzamelaanvraag bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij.

Het plantenpaspoort heeft vaste elementen: de EU-vlag, de paspoortvermelding en de velden A tot en met D.

LetterGegeven dat je leest
ABotanische naam van de soort of het taxon; minimaal het geslacht. Ras of cultivar mag erbij.
BLidstaatcode, koppelteken en fytosanitair registratienummer van de professionele marktdeelnemer
CTraceerbaarheidscode van de plant waar deze vereist is; de letter C blijft altijd staan.
DISO-landcode van het land van oorsprong of productie, ook bij Belgische oorsprong.

Linksboven staat de Europese vlag, in kleur of zwart-wit; rechtsboven de paspoortvermelding.

Bij B staat voor een Belgische operator het vestigingseenheidsnummer. De officiële paspoortvermelding is Plant Passport in het Engels; een vertaling kan worden toegevoegd.

De traceerbaarheidscode bestaat uit het partijnummer of een andere identificatie die de traceerbaarheid waarborgt. Ze kan worden aangevuld met een barcode, hologram, elektronische chip, QR-code of andere gegevensdrager.

De traceerbaarheidscode bij C mag ontbreken voor opplantplanten die zonder verdere voorbereiding aan de niet-professionele eindgebruiker kunnen worden verkocht. Voor bepaalde categorieën en soorten geldt deze uitzondering niet. Verordening (EU) 2020/1770 bevat de lijst van categorieën of soorten waarvoor de uitzondering niet geldt.

Planten die van buiten de EU worden ingevoerd, vereisen een fytosanitair certificaat (bijlage XI); planten die in de EU worden verhandeld, vereisen een plantenpaspoort (bijlage XIII).

Registergegevens voor de FAVV-controle

Probeer vóór een FAVV-controle één uitgevoerde behandeling van begin tot einde terug te vinden: product, plaats, datum, gebruiksgegevens en de bijbehorende documenten.

Het FAVV ziet toe op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen de voedselketen en controleert residuen in voeding. De verplichte registergegevens staan bij Fytoweb.

Het register vermeldt de naam van het middel, het tijdstip van de toepassing, het gewas, de plaats van het behandelde gewas en de toegepaste dosis. Vanaf 1 januari 2026 komen daar bij: type gebruik (oppervlakken, gesloten ruimten of zaden), toelatingsnummer, gewas volgens EPPO-code, omvang van het behandelde gebied of de behandelde hoeveelheid, groeistadium volgens BBCH, starttijdstip van de behandeling indien relevant en de referentie van het perceel.

Landbouwbedrijven en loonwerkers voor een voedingsbedrijf registreren binnen zeven dagen na gebruik. Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die plantaardige producten produceren of oogsten, bewaren het register vijf jaar.

Voor toepassingen in 2026 mag je het gebruiksregister op papier of elektronisch bijhouden. Vanaf 2027 is elektronische registratie verplicht. Je mag nog op papier registreren en jaarlijks omzetten: het register van 2027 moet uiterlijk op 31 januari 2028 elektronisch beschikbaar zijn. Houd de registratietermijn en de termijn voor elektronische omzetting uit elkaar.

Diervoederbedrijven en andere professionele gebruikers, zoals siertelers en tuinaannemers, registreren binnen dertig dagen na gebruik.

Volgende stap

Open het teruggevonden product in Fytoweb. De detailpagina biedt de toelatingsakte en een historiek.