De juiste gewasschaal kiezen

Een BBCH-stadium beschrijft de zichtbare ontwikkeling van een gewas met een vaste code. Zoek eerst de tabel voor de betrokken teelt en vergelijk vervolgens de plant met de omschrijving bij de code. De gebruikelijke code bestaat uit twee cijfers. De gewasspecifieke beschrijving geeft aan wat je beoordeelt: een blad, scheut, bloem of ander kenmerk.

Open de officiële Fytoweb-pagina met BBCH-codes voor de teelten. Daar staan de verwijzingen Overzicht en Codes. Gebruik deze ingang voor de Belgische teelttabellen.

BBCH gaat over fenologie: de opeenvolgende ontwikkelingsstadia van de plant. De decimale schaal geldt voor landbouwgewassen én onkruiden en is gebaseerd op de Zadoks-code voor granen. Binnen dat algemene raamwerk bestaan afzonderlijke gewasschalen.

Er bestaan gewasschalen voor onder meer granen, maïs, koolzaad, aardappelen, fruitbomen, kleinfruit en groenten. De afkorting verwijst naar Biologische Bundesanstalt, Bundessortenamt en Chemische Industrie.

Gebruik bij een bespreking daarom de combinatie gewas, stadium en herkenningskenmerk. Zeg bijvoorbeeld dat je bij wintergraan een ontvouwen blad of een voelbare knoop beoordeelt.

Maak ook duidelijk of je de cultuurplant of het onkruid bekijkt. Voor een onkruidplant zoek je mogelijk een ander stadium op dan voor het gewas waarin die plant staat. Houd in je eigen veldnotities beide omschrijvingen herkenbaar uit elkaar.

De gewastabellen voor België staan bij Fytoweb; de algemene schaalstructuur volgt de internationale BBCH-indeling.

Hoofd- en secundaire stadia

De ontwikkelingscyclus is verdeeld in tien hoofdfasen, genummerd van 0 tot 9. Zulke macrostadia omvatten langer durende ontwikkelingsprocessen. De secundaire stadia, ook microstadia genoemd, beschrijven kortere, voor de plantensoort kenmerkende stappen daarbinnen. De combinatie van hoofd- en secundair stadium vormt de gebruikelijke tweecijferige codering.

Sommige gewassen vragen een fijnere onderverdeling. Dat geldt onder andere voor komkommer, ui, aardappel, soja en tomaat. Daar kan een mesostadium tussen hoofd- en secundair stadium staan. Met deze uitbreiding onderscheid je ontwikkelingen aan de hoofdstengel of de vertakking nauwkeuriger. Het mesocijfer 0 of 1 beschrijft de hoofdstengel, de cijfers 2 tot 9 de zijscheuten van de 2e tot 9e orde.

In algemene beschrijvingen kun je bovendien letters tegenkomen. D verwijst naar tweezaadlobbigen, M naar eenzaadlobbigen en G naar grassen. P duidt overblijvende planten aan; V betreft ontwikkeling uit vegetatieve plantendelen of vermeerderingsorganen. Ontbreekt zo'n letter, dan geldt de beschrijving voor alle plantengroepen. Lees die afbakening mee wanneer een rij verschillende formuleringen bevat.

De algemene BBCH-schaal dient voor plantensoorten zonder eigen schaal. Een globale verzamelschaal bundelt stadia uit verschillende gewasschalen voor gegevensannotatie. Gebruik voor herkenning op het perceel de afzonderlijke gewastabel zodra die beschikbaar is.

Wintergraan en bieten vergelijken

Een BBCH-code heeft betekenis binnen de bijbehorende gewasbeschrijving. Bij wintergraan betekent stadium 31 dat de eerste knoop voelbaar is. Bij bieten beschrijft 31 het begin van het sluiten van de rijen. Ongeveer tien procent van de planten in aangrenzende rijen raakt elkaar. Dezelfde cijfers leveren dus verschillende herkenningsvragen op.

Wintergraan ontwikkelt zich van kieming via bladontwikkeling, uitstoeling, stengelstrekking en aarontwikkeling naar bloei en rijping. Binnen bladontwikkeling vind je de codes 11, 12 en 13 voor respectievelijk het eerste, tweede en derde ontvouwen blad. Binnen uitstoeling verwijzen de vervolgcijfers naar zijstengels.

Bij graankieming verschijnt na de kiemwortel de pluimschede. In stadium 09 bereikt het kiemblad de punt van die schede. Bij 10 komt het eerste blad naar buiten. Tijdens pseudo-stengeloprichting, stadium 30, begint de stengel zich op te richten.

Een blad is ontvouwen zodra het tongetje of de top van het volgende blad zichtbaar is. Tel tijdens de uitstoeling de zijstengels afzonderlijk van de bladeren. Uitstoeling of stengelstrekking kan al beginnen vóór het stadium met drie ontvouwen bladeren. De fasen kunnen elkaar dus overlappen.

Bij kiemende bieten begint de imbibitie met wateropname door het zaad. Na volledige imbibitie is de pellet gebarsten. Vervolgens komt de kiemwortel tevoorschijn, daarna de jonge scheut. Opkomst betekent dat de scheut het bodemoppervlak doorbreekt.

Leafwrit

Houd uw spuitregistratie op één plek bij. Gratis beginnen.

Bij jonge bieten zijn eerst de kiembladeren horizontaal ontvouwen en is het eerste blad zichtbaar. In het volgende stadium is het eerste bladpaar zichtbaar, maar nog niet ontvouwen. Daarna volgt het ontvouwen bladpaar.

Bij rozetontwikkeling beoordeel je het contact tussen de bladeren van planten in aangrenzende rijen. In stadium 35 raakt ongeveer de helft van die planten elkaar. Bij 39 zijn de rijen gesloten: ongeveer negentig procent raakt elkaar. Stadium 49 duidt de oogstgrootte van de bietenwortel aan.

Van vlagblad tot korrelrijping bij wintergraan

Bekijk bij stadium 37 of het vlagblad net zichtbaar wordt. Bij 39 is het vlagbladtongetje zichtbaar. Tijdens aarzwelling blijft de aar nog in de schede: bij 43 is de zwelling net zichtbaar, bij 45 duidelijk zichtbaar. In stadium 47 opent de vlagbladschede zich.

Bij gebaarde vormen worden in stadium 49 de eerste naalden zichtbaar.

Controleer daarna welk deel van de aar buiten de schede komt. Stadium 51 betekent dat het eerste pakje zichtbaar is. Bij 55 is de helft verschenen; bij 59 de volledige aar. Het zichtbaar worden van de aar en de bloei zijn afzonderlijke ontwikkelingen.

Bij de melkrijping onderscheiden de codes 73, 75 en 77 een vroeg, midden en laat stadium. Tijdens deegrijping verandert de stevigheid van de korrel. Bij zacht deegrijp verdwijnt een vingernagelafdruk weer. Bij hard deegrijp blijft de afdruk zichtbaar en vergelen de aren. Controleer dus de korrel zelf wanneer je rijpingsstadia vergelijkt. Alleen de kleur van het stro geeft deze verschillen niet weer.

Bij afrijping wordt de graankorrel hard. In stadium 91 kun je hem moeilijk met de duimnagel doormidden knijpen; bij 92 lukt dat niet meer. In stadium 93 komt het zaad overdag los te zitten en dreigt korreluitval. Bij 94 is het graan overrijp en sterft het stro af.

Bij graan verwijst kiemrust naar het zaad: stadium 95. Stadium 97 betekent dat het zaad niet in kiemrust is. Secundaire kiemrust hoort bij 98; bij 99 is die voorbij.

Bladontwikkeling bij bieten

Bij bieten gaat de telling na het eerste bladpaar verder met afzonderlijke ontvouwen bladeren. Stadium 14 betekent vier bladeren, stadium 15 vijf bladeren. Stadium 19 omvat negen of meer ontvouwen bladeren. Tel de kiembladeren niet mee als gewone bladeren: de bietenschaal benoemt ze afzonderlijk bij stadium 10.

Appel en peer

Bij appel en peer zijn het roze-knopstadium, het ballonstadium en de eerste open bloemen afzonderlijke stadia. Bij het roze-knopstadium worden de kroonbladeren zichtbaar tussen de iets geopende kelkbladeren. In het ballonstadium vormen ze bij de meeste bloemen een holle bol. Het openen van de eerste bloemen vormt opnieuw een aparte stap.

Onderscheid beginbloei, volle bloei en afbloei. De bloei eindigt wanneer alle kroonbladeren zijn afgevallen. Vergelijk een bloeiwaarneming met de omschrijving in de pitfruitschaal.

Bij de vruchtontwikkeling bereikt pitfruit in stadium 75 ongeveer de helft van zijn uiteindelijke grootte. Vanaf 81 verschijnt de raseigen vruchtkleur; bij 85 wordt die intenser. Plukrijpheid hoort bij 87. Bij consumptierijpheid, stadium 89, heeft de vrucht de kenmerkende smaak en stevigheid.

Bij pitfruit stopt in stadium 91 de scheutgroei: de eindknop is ontwikkeld, terwijl het loof groen blijft. Bladverkleuring begint bij 92.

Winterrust en knopontwikkeling

In de algemene schaal kan stadium 00 droog zaad óf winterrust van overblijvende planten en vegetatieve vermeerderingsorganen betekenen. Bij 01 begint de wateropname van het zaad of de zwelling van knoppen. Kijk bij bomen dus naar de knopontwikkeling, bij zaaigewassen naar de kieming. Hoofdstadium 9 omvat veroudering en het begin van de rustperiode.

Waarneming en toepassingsmoment

Een toepassingsbereik omvat meerdere stadia; een waarneming beschrijft wat je op het perceel aantreft. Noteer een representatief stadium. Bij een ongelijk ontwikkeld perceel kan een algemenere beschrijving van de ontwikkelingsfase nodig zijn.

Vóór het zaaien, bij het planten, vóór opkomst en na de oogst zijn bijzondere toepassingsstadia zonder specifieke BBCH-code. Deze toepassingsstadia worden niet aan een specifiek BBCH-stadium gekoppeld.

Bij aardappelen bevatten uitgebreide tabellen een classificatie met drie cijfers. Toelatingsakten gebruiken doorgaans twee cijfers. Noteer voor aardappelen alleen de tweecijferige stadia in het gebruiksregister, bijvoorbeeld 51 in plaats van 501.

Volgende stap

Kies je gewastabel via Fytoweb en noteer de waarneming in je spuitregister. De BBCH-uitgaven zijn beschikbaar in het Engels, Duits, Frans en Spaans.